Het kleine licht

Ik dacht dat ik genoeg redenen had om mensen te haten.

Dat was niet mijn edelste gedachte. Zelfs niet mijn waarste. Maar ze was er.

Het ging niet om grote wreedheid. Het ging om de kleine hardheid waarmee wij door dagen bewegen.

De blik die jou ontwijkt. De deur die net iets te snel voor je wordt dichtgetrokken. De haast waarmee je voor iemand verandert in oponthoud. Iemand rijdt te langzaam. Iemand praat te lang. Iemand heeft iets nodig terwijl jij net even genoeg had aan jezelf.

Dat klinkt hard. Ik weet het. Haat is een lelijk woord. Een woord met slechte manieren. Het komt binnen zonder zijn schoenen te vegen en gaat zitten op de plek waar vroeger iets zachters lag. Verdriet misschien. Of teleurstelling. Of dat korte moment waarop je nog dacht dat iemand terug zou komen om iets recht te zetten.

Haat is vaak geen begin, maar een overblijfsel. Wat er eerst was, heeft onderweg zijn naam verloren.

Op dat moment bewoog er iets donkers in mij. Misschien ten onrechte. Maar het was er. Het liet van mensen weinig anders over dan hun tekortkomingen, maar het maakte hen niet onschuldiger.

Schade werd niet zachter doordat iemand in zijn vrije tijd mooie dingen deed. Een man kon tomaten kweken en toch iemand hebben verlaten op het moment dat hij had moeten blijven. Iemand kon met liefde een houten kast schuren en tegelijk woorden hebben uitgesproken die in een ander mens zijn blijven wonen als vocht in een muur.

Dezelfde hand die streelt, kan breken. Dezelfde mond die zingt, kan liegen. Dezelfde mens die vogels voert, kan iemand laten verhongeren in stilte.

Ik dacht daaraan op een broeierige zomeravond waarop de hemel vreemd donker werd.

Niet donker zoals het normaal donker wordt, langzaam, met schemering en vogels die nog even doen alsof de dag te redden valt. Nee, het licht viel weg alsof iemand een hand voor de zon hield.

Buiten stonden mensen op straat. Eerst voorzichtig, toen met hun telefoons omhoog. Je zag overal gezichten die tegelijk bang en nieuwsgierig waren. Mensen die niet wisten of ze moesten vluchten of vastleggen wat er gebeurde.

Boven de huizen hing iets wat er niet hoorde.

Een reusachtig, dofzwart ovaal, zo donker dat de lucht erachter niet meer leek door te lopen.
De randen bewogen nauwelijks zichtbaar, alsof het ding ademde.

Een ruimtevaartuig blokkeerde de hemel.

Het was onmogelijk nog te doen alsof het iets anders was.

Niemand zei het hardop. Dat was ook niet nodig. Soms is een zin zo groot dat hij vanzelf in alle hoofden verschijnt. Er hing iets boven ons dat geen wolk was, geen vliegtuig, geen storing in het weer. Het nam de lucht in alsof de lucht nooit van ons was geweest.

Even werd alles stil.

Geen auto’s. Geen grasmaaiers. Geen kinderen die ruzie maakten om een bal. Alleen een televisie achter een open raam die tegen niemand bleef praten.

Ik keek naar de mensen om mij heen. Een moeder hield haar kind tegen zich aan. Het meisje huilde zonder geluid. Een man stond met zijn mond halfopen, alsof hij vergeten was hoe hij die weer moest sluiten.

Ik vroeg me af hoeveel van hen op dat moment aan praktische dingen dachten. Batterijen. Water. De kelder. De kinderen. De auto nog vol genoeg? En hoeveel aan iets anders. Aan iemand die ze nooit hadden teruggebeld. Aan een zin die te hard was aangekomen. Aan een deur die ze achter zich hadden dichtgetrokken terwijl daarachter nog iemand stond te breken.

Zodra de hemel verdwijnt, blijft er weinig over om je achter te verschuilen.

Dan ben je geen functie meer. Geen mening. Geen verhaal dat je over jezelf vertelt.

Dan ben je een lichaam dat omhoogkijkt.

Net als de rest.

Toch keek niemand omhoog vanuit hetzelfde leven.

Achter ieder gezicht school iets anders. Een blik die was ontweken. Een hand die niet was uitgestoken. Een woord dat achteloos de wereld in was gestuurd. Een stilte waarin iemand voor gemak had gekozen, terwijl een ander nog op waarheid wachtte.

Iedereen stond daar met de schaduw van wat hij had veroorzaakt.

Niemand werd beter dan hij was.

Alleen zichtbaarder.

Alles wat ze waren stond naast alles wat ze hadden gedaan, en het ene wiste het andere niet uit.

En boven ons hing het ruimtevaartuig.

Het maakte geen geluid. Dat vond ik het ergste. Een ramp met geluid kun je tenminste nog verwarren met iets begrijpelijks. Een explosie. Een storm. Een motor. Maar dit zweeg.

En in dat zwijgen werd de straat kleiner.

Iedereen stond daar met zijn eigen leven, zijn eigen schade, zijn eigen verzwegen zinnen. Maar niemand wist nog waar hij ermee naartoe moest.

De hemel bleef geblokkeerd. De straat stond vol mensen die omhoogkeken, alsof daar het antwoord hing.

Maar het antwoord kwam niet van boven.

Het kwam van opzij.

Toen het donkerder werd, deed ergens iemand een buitenlamp aan.

Het was een klein, bijna kinderachtig licht. Veel te zwak voor wat boven ons hing.

Maar toch keek iedereen er even naar.

 

©10072026BjornKnoops