Mijn troost ligt in het vermoeden dat alles dieper ligt dan het zich toont. Mijn onrust in het besef dat die diepte zonder mij bestaat. Ik schrijf tegen het verdwijnen.
—
Sinds zijn debuut met Geestvreter (2020) schrijft Bjorn Knoops (1980) columns en gedichten over het alledaagse, dat hij niet helemaal vertrouwt. Juist in kleine dingen — een toevallige zin, een herinnering, een hapering in de dag — vermoedt hij soms iets dat verder reikt dan het moment zelf.
Zijn werk beweegt tussen het tastbare en het ongrijpbare: tussen vergankelijkheid en verwondering, tussen wat zich laat verklaren en wat zich daar hardnekkig aan onttrekt. Daarbij kan een kapotte lamp net zo goed aanleiding zijn voor een existentiële vraag als een sterrenhemel, en verdient zelfs een kamerplant soms een tweede blik.
Met lichte humor en enige achterdocht kijkt hij naar een werkelijkheid die zich zelden netjes laat ordenen, terwijl ergens daarachter steeds dezelfde vraag blijft bestaan: is dit werkelijk alles?
Antwoorden heeft hij niet. Wel steeds betere vragen.