De rest
De ochtend begon met een kapotte lamp.
Ik drukte drie keer op de schakelaar, omdat een mens kennelijk gelooft dat elektriciteit zich bij herhaald verzoek alsnog bedenkt. Er gebeurde niets. Ik draaide de lamp uit de fitting, hield hem tegen het raam en keek ernaar alsof ergens in het glas een verklaring verborgen zat.
Die bleek er niet te zitten.
In de winkel legde ik een paar munten op de toonbank en schoof ze naar de verkoopster. Achter mij zuchtte een man om de verloren seconden van zijn leven. Op de verpakking van de nieuwe lamp stond dat hij vijftienduizend uur meeging. De vorige had dat duidelijk niet gelezen.
Op weg naar huis bleef ik voor een rood voetgangerslicht staan, hoewel er in geen velden of wegen verkeer te zien was. Kennelijk woog het rode licht zwaarder dan mijn waarneming. Aan de overkant groeide gras tussen twee stoeptegels. Een kauw trok een plastic zak uit een afvalbak. Een fietser passeerde met een kind achterop dat een liedje zong waarvan ik alleen het woord yellow verstond.
Toen werd het groen.
Ik zette me in beweging. Nog voordat ik de overkant bereikte, dacht ik ineens aan mijn vader. Niet aan iets belangrijks. Zijn handen boven een oude bandrecorder. De vingers waarmee hij voorzichtig aan een van de spoelen draaide voordat hij op de knop drukte.
Ik weet niet waarom.
Er bestaat ongetwijfeld een verklaring voor zoiets. Een geluid, een beweging, een woord misschien dat ergens in mijn hoofd iets anders raakte. Plotseling was die man van vroeger toch even aanwezig bij een zebrapad.
Dat kon de verklaring zijn.
Alleen liep ik inmiddels wel langzamer.
In de supermarkt stond een vrouw bij het fruit tegen haar telefoon te zeggen dat het echt goed met haar ging. Ze bleef het herhalen, tegen de fruitkisten, tot ze naar haar eigen schoenen keek en zweeg. Ik pakte bananen. Wat er in haar omging, bleef onbereikbaar.
Bij de kassa vroeg de jongen achter de band of ik koopzegels wilde. Ik zei nee. Hij vroeg of ik de bon wilde. Ook nee. Hij leek opgelucht dat er eindelijk twee vragen bestonden waarop een ondubbelzinnig antwoord mogelijk was.
Thuis draaide ik de nieuwe lamp in de fitting en drukte op de schakelaar. Elektriciteit werd omgezet in licht. Fotonen verspreidden zich met bijna driehonderdduizend kilometer per seconde door de keuken. Vrijwel onmiddellijk waren het aanrecht, een vergeten mok en een paar kruimels weer zichtbaar.
Er was niets raadselachtigs aan.
Voor zover ik kon nagaan.
’s Middags begon het te regenen. Niet indrukwekkend. Geen donder, geen hemel die openscheurde. Gewoon regen die tegen het raam tikte en de straat langzaam donkerder maakte.
Vanuit de slaapkamer zag ik de buurvrouw in de tuin haar was van de draad halen. Een laken sloeg om haar hoofd. Ze vocht zich eruit, keek om zich heen of iemand het had gezien en verdween naar binnen.
Ik lachte pas toen ze weg was.
Ik bleef bij het raam staan.
De regen viel. Ergens zei een vrouw nog steeds dat het goed ging. De handen van vroeger bleven boven de bandrecorder. Veel liet zich herleiden. Niet alles verdween daarmee.
Later die avond deed ik de lamp uit.
Het werd donker.
De rest was er nog.
©28082026BjornKnoops