Nulpuntsrest

Er was geen administratie van de wildernis. Rivieren stroomden al voordat de architectuur toesloeg; voordat iemand bedacht dat een stroom bezit kon zijn. Bomen groeiden wild, blind voor het kadastraal nummer. De grond wist niet dat zij grondgebied was, ingesnoerd door wetten om bezit te rechtvaardigen. Er waren heuvels, moerassen, bossen, beesten die de aarde doorkruisten zonder paspoort.

Ergens daartussen leefde de mens, nog nauwelijks los van wat hem omringde. De wereld was niet van hem; hij was van de wereld.

Kwetsbaar voor wat niet van hem was, en vrezend dat er ooit te weinig van zou zijn, begon hij de aarde af te meten. Bruut trok hij lijnen in de modder en bouwde eeuwen aan rechtspraak om de hallucinatie van de lijn te heiligen. Maar de bescherming werd een obsessie. De grens is allang geen schild meer tegen de wildernis, maar een neurose met gewapende bewakers, een grens waarvoor we moeten sterven. Eigendom begon als het gewelddadige gebaar van iets aanwijzen en eindigde in de asgrauwe inkt van de notaris.

Wij mensen arriveren naakt, schreeuwend en zonder bezit in een wereld die bij aankomst al volledig blijkt te zijn opgeknipt door handen die allang tot stof zijn vergaan. Voor water, voor brood, voor een vierkante meter om te sterven, heeft de mens toegang nodig. Wat ooit eenvoudig aanwezig was, ligt inmiddels achter een hek, een eigendomsrecht, een rekening.

Ooit had angst een lichaam. De honger was concreet. Er lag nog geen dikke laag papier tussen de mens en zijn ondergang. Nu wordt voor toegang betaling verlangd. Geld — een collectieve bezwering, een fictie die pas echt angstaanjagend wordt zodra de huur moet worden betaald.

Dus verkopen we onze uren om toegang terug te kopen tot de wereld waarin we zonder bezit zijn aangekomen. We prostitueren onze tijd. We slachten de dagen van ons leven af, hakken ze in muntstukken, om in de vitrine van de markt te smeken om onze eigen vrijheid.

We kopen machines om tijd vrij te maken die vervolgens nergens lijkt te blijven. Een vaatwasser. Een snellere computer. Een horloge dat weet hoe slecht we hebben geslapen en ons daar ’s ochtends onmiddellijk van op de hoogte brengt. De apparaten wassen, rekenen en navigeren. Wij hoeven steeds minder te doen, en toch raken wij bezet door een permanente, trillende koorts.

We denderen door de dagen alsof we de leegte voor moeten blijven die ons inhaalt zodra we stilstaan. Tot we erbij neervallen. In een nerveus ritme werpen we de passen voor ons uit, bang voor het gapende gat dat zich opent wanneer de motoren zwijgen. Terwijl we de machines vervolmaken, laten we het innerlijke landschap verwilderen. We leren de wereld beheersen, maar nauwelijks onszelf. We verruilen diepte voor oppervlak, aandacht voor snelheid, trouw voor succes.

Wie tijd overhoudt, wordt veroordeeld tot een scherm. Wie een scherm heeft, krijgt een kunstmatig gemis toegediend. De markt staat klaar om het vacuüm te bezetten. Ze vond onze oeroude angst voor tekort niet uit, maar leerde die te industrialiseren. Ze fabriceert niet alleen goederen, maar het pure, knagende gemis. Dat is het meesterwerk van onze tijd: het overtuigende gevoel dat er iets ontbreekt, terwijl er nauwelijks valt aan te wijzen wat.

Niet uit domheid. Dat zou een te troostrijke gedachte zijn. Maar omdat verlangen een zoete verdoving is. Omdat een pakket onderweg een flard van een draagbare toekomst bevat. Omdat bezit heel even de illusie wekt dat we niet naakt en sterfelijk zijn. Omdat de stilte van de nacht moeilijker te verdragen is dan een bestelling, en wachten op de bezorger eenvoudiger dan kijken naar het wezen dat we zijn geworden.

Je leeft erin zonder het nog te merken. De dagen sluiten zich om je heen als een verstikkend netwerk dat nergens begint en nergens ophoudt. Je stemt in met de herhaling van de stappen, het opstaan, het klokken, het kopen, huren, gehoorzamen.

Totdat je naar het nieuws kijkt en ineens een vage, vormeloze misselijkheid voelt. De reclame klinkt vals en doorzichtig. De dagelijkse haast verdacht. Een nieuwe versie van iets wat gisteren nog voldeed verschijnt, en voor het eerst lukt het niet om het ontbreken ervan als verlies te ervaren.

De twijfel vreet zich een weg door de fundamenten. Je blik ontsnapt aan het raster. Je weigert de hallucinatie nog langer overeind te houden. En de wereld, die de geur van twijfel vreest als een ziekte, verklaart je voor gek.

Je zegt dat je genoeg hebt. Maar er bestaat nauwelijks een bewonderend woord voor. Men zegt dat je opgegeven hebt. Dat je je mogelijkheden niet benut. Dat je méér had kunnen worden. Meer wat? Niemand weet het precies. Maar meer.

Als verlangen de machine draaiende houdt, is genoeg de zandkorrel in haar raderen. Stilstand is verval. Achteruitgang een mislukking. Groei klinkt ons als gezond in de oren. Ambitie, vernieuwing, verbetering — zelfs onze woorden wijzen naar voren.

Eerst spuug je gal naar buiten. Je zoekt de schuld buiten jezelf. Bij de markt, de politiek, de schermen en de algoritmes. De bedieners van de machine, de wachters aan de poort, de stemmen die je vertelden wat te vrezen, wat te begeren en wie je moest worden. Je denkt dat je eindelijk hebt gezien waar de vijand zich bevindt.

Tot ook die gedachte begint te rotten.

Want de woede heeft een verleidelijk gemak. Zolang je de wereld nodig hebt om haar op af te vuren, bepaalt zij nog steeds waar je naar kijkt. Je vinger wijst naar de machine, maar je voeten vertikken het om stil te staan. Wie weigert te blijven tieren, ontkomt uiteindelijk niet aan de spiegel. En daar tref je geen vijand, maar je eigen medeplichtigheid: de ingesleten angst voor de leegte, de gerieflijke roes van het bezit — datgene waarop de buitenwereld al die tijd vat kon krijgen.

Je besluit het fantoomgemis niet langer te onderhouden. Je kiest niet langer voor de volgende upgrade, maar voor de stilte die niets verkoopt. Wat achterblijft wanneer het verlangen even ophoudt zichzelf voort te jagen, is geen overwinning en geen verlossing. Alleen de vreemde helderheid van wat er al die tijd al was.

Hier, op dat nulpunt, verliest het tekort zijn gezag. Niet iedere leegte hoeft gevuld te worden. De grens die ooit door de modder werd getrokken, is uiteindelijk door de mens zelf gaan lopen: tussen wat hij is en wat hij meent te moeten worden, tussen wat aanwezig is en wat hem geleerd werd te missen.

Onder de lijnen bleef iets bewegen. De stroom trok zich niets aan van het kadaster. De wildernis verdween niet toen wij haar verkavelden. In de mens bestond iets voort dat zich niet volledig liet bezitten, berekenen of verkopen. Hij moest afstand nemen van wat hij van de wereld had gemaakt om te zien dat hij haar nooit had verlaten.

Niet terug naar de wildernis.

Verder.

©12092026BjornKnoops