Voorbij woorden
“In het begin was het Woord.”*
“Door dit is alles geworden en buiten dit is niets geworden wat geworden is.”**
Alsof mensen al heel vroeg hebben aangevoeld dat taal meer is dan alleen geluid. Dat woorden, hoe gebrekkig ook, iets proberen aan te raken van de werkelijkheid zelf.
Misschien is dat ook waarom we er zoveel van verwachten.
Alsof taal precies kan raken wat er werkelijk speelt. Alsof wat wij voelen volledig past in wat wij zeggen.
We proppen hele werelden in zinnen van dertien woorden en verwachten dat de ander exact voelt wat wij bedoelen.
Maar ergens onderweg ontstaat altijd afstand. Een leemte tussen wat is, wat we voelen, wat we denken en wat er uiteindelijk uit onze mond komt. En precies in die leemte gaat het vaak mis.
Daarom kan één verkeerd geformuleerd appje een kleine oorlog ontketenen. Daarom klinkt “is goed” soms als een passief-agressieve doodsbedreiging. Daarom zeggen we “prima” terwijl we eigenlijk bedoelen: ik ben licht gekrenkt en weet nog niet of ik je ooit ga vergeven.
Taal is een wonderlijk hulpmiddel, maar geen betrouwbaar vervoersmiddel voor de ziel.
En misschien begint het daar al: bij het feit dat we nauwelijks onder woorden krijgen wat we eigenlijk zijn. Nauwelijks meer dan een ogenblik dat probeert zichzelf te begrijpen. Een kort bewustzijn tussen twee stiltes.
Met die gedachte zat ik daar, onder het gewelfde plafond van de Tonhalle Düsseldorf, waar kleine lichtjes glansden alsof boven ons een ingehouden sterrenhemel hing.
Niet om diepzinnig te doen.
Ik was daar voor een concert.
Van Max Richter.
Je koopt een kaartje, verwacht iets moois, misschien een beetje kippenvel als bonus. Je gaat zitten, kijkt om je heen, denkt nog even aan werk, aan boodschappen, aan die ene app die je nog moet beantwoorden, terwijl je een paar minuten eerder nog nadacht over je plaats in het universum.
En dan begint het.
Piano.
Voorzichtig.
Alsof iemand niet zeker weet of hij welkom is.
Strijkers die zich eromheen vouwen.
Geen haast. Geen bewijsdrang.
Dan — een loepzuivere sopraanstem.
Licht. Dragend.
Uit dezelfde mond waar ook woorden vandaan komen, maar hier ontdaan van alles wat taal gewoonlijk tekortdoet.
Ze blaast iets de zaal in wat geen zin ooit kan dragen.
En ergens daar — tussen twee noten in — gebeurt iets waar geen woord tegenop kan.
Het raakt.
Niet netjes, niet gecontroleerd.
Gewoon raak.
Alsof iemand je hart voorzichtig vastpakt met fluwelen handschoenen en er even aan draait. Niet hard. Niet dramatisch. Maar precies genoeg om te voelen: hier zit het dus.
En voor je het weet, gebeurt het onvermijdelijke.
Tranen.
Niet van die theatrale, maar van die ongemakkelijke die je snel probeert weg te knipperen omdat je in een zaal zit met volwassen mensen die ook gewoon hun best doen om normaal te blijven.
Wat muziek doet, is eigenlijk vrij onbeschoft.
Ze slaat alle omwegen over.
Geen uitleg. Geen context. Geen disclaimers.
Geen “ik bedoelde het niet zo”.
Gewoon: voel dit.
En het merkwaardige is — je begrijpt het ook nog.
Zonder woorden. Zonder vertaling. Zonder nuanceverschillen.
De noot die niet gespeeld wordt zegt soms meer dan alles wat wél klinkt.
Probeer dát maar eens in een e-mail te zetten zonder dat HR je uitnodigt voor een gesprek.
Na afloop liep iedereen naar buiten.
Rustig. Stil. Alsof er iets was rechtgezet wat niemand hardop durfde te benoemen.
Geen luid applaus meer, geen geroezemoes — gewoon mensen die weer even moesten wennen aan het idee dat ze een lichaam hebben en dat dat lichaam nu de kou in moet.
Ik bleef staan in de vestibule.
Meer omdat mijn systeem nog niet helemaal had bijgewerkt wat er zojuist gebeurd was.
Tot een onbestemd gevoel me het hoofd dwong om te draaien.
Aan de andere kant van de foyer stond hij.
Richter zelf.
Bescheiden. Geen aura van belangrijkheid. Geen entourage. Gewoon een man die muziek maakt en daar blijkbaar genoeg aan heeft.
Albumhoezen signeren.
Dit was het moment waarop je iets hoort te doen.
Er naartoe lopen en een hand geven. Iets zeggen. Iets intelligents liefst.
“Ik vond het prachtig.”
“Ik ben geraakt.”
“Uw werk betekent veel voor mij.”
Allemaal zinnen die waar zijn — en tegelijk volledig tekortschieten.
Dus ik deed niets.
Nou ja, bijna niets.
We kruisten blikken.
Kort. Toevallig. Onontkoombaar.
En ik knikte.
Dankbaar.
Hij knikte terug.
Met een kleine glimlach.
Dat was het.
Geen woorden. Geen poging om het groter te maken dan het was.
Geen verplichte uitwisseling van betekenisloze beleefdheden.
En juist daardoor… klopte het.
Misschien is dat het.
Dat we blijven denken dat alles gezegd moet worden, alles uitgelegd moet worden. Dat gevoel pas telt als het in taal gevangen is.
Maar misschien is het andersom.
Misschien begint het pas waar woorden ophouden.
En misschien — heel misschien — is dat ook precies waarom we muziek hebben.
Omdat het zegt wat wij niet kunnen.
* Johannes 1:1
** Johannes 1:3
©10052026BjornKnoops