Bijna bekenden

Ik zag hem al van ver.

Dat is altijd het probleem: je ziet ze te vroeg.
Net ver genoeg om te herkennen, te dichtbij om nog geloofwaardig om te draaien.

Er is een moment — heel kort — waarin alles nog mogelijk is.
Je kunt doen alsof je hem niet hebt gezien.
Je kunt je telefoon pakken.
Je kunt ineens grote interesse tonen in een etalage met dingen die je nooit zou kopen.

Maar dat moment gaat voorbij.
En dan ben je gezien.

Hij keek op.
Ik keek terug.
We deden allebei alsof dat per ongeluk was.

Een halve seconde later knikten we.
Alsof dat het minste was wat we nog voor elkaar konden doen.

Dat was al te veel.

We kenden elkaar ooit goed genoeg om te weten hoe de ander heette.
Nu was dat precies het probleem.

Wat zeg je tegen iemand die ooit goed genoeg was voor een kort gesprek in het voorbijgaan, en nu alleen nog bewijs is dat tijd bestaat?

Ik versnelde een beetje.
Hij ook.

Alsof we elkaar tegemoet moesten komen om zo snel mogelijk van elkaar af te zijn.

“Ha,” zei hij.

“Hé,” zei ik.

Dat was het gesprek.

We bleven staan.
Dat was een fout.

Doorlopen was beter geweest.
Te laat.

Met een “ha” en “hé” is het ritueel in gang gezet, waarbij doorlopen een schending zou zijn van wat niemand heeft afgesproken, maar iedereen naleeft.

“Alles goed?” vroeg hij.

Dat is geen vraag.
Dat is een ritueel.
Eerlijk antwoorden valt buiten het protocol.

“Ja, goed,” zei ik.
Hij knikte, opgelucht dat ik niets had gezegd waar hij op moest reageren.

Het was geen onwil.
Van geen van beiden, geloof ik.

Het lag niet aan ons.
Alleen aan het moment.

“Met jou?” vroeg ik, uit beleefdheid, niet uit interesse.

“Ja, druk,” zei hij.

Natuurlijk.

Er ontstond een kleine verschuiving in onze houding, alsof het lichaam alvast probeerde te vertrekken zonder dat het gezicht dat mocht toegeven.

Twee mensen die ooit vanzelfsprekend waren, staan nu te wachten tot iets hen toestemming geeft om weer vreemden te zijn.

Dat iets komt niet.

En daar hing het even: de verwachting dat iemand iets zou zeggen dat de moeite waard was.

Niemand deed dat.

Dus knik je.
Altijd dat knikken.
Het universele symbool voor: ik weet ook niet waarom we hier nog staan, maar blijkbaar hoort dit zo.

We lachten een beetje.
Zo’n lach die nergens op slaat, maar wel aangeeft dat het bijna voorbij is.

Ik keek naar zijn jas.
Hij naar mijn schoenen.

We deden allebei alsof daar iets stond dat uitleg nodig had.

“Nou ja,” zei hij.

“Ja,” zei ik.

Dat waren de laatste woorden.

En dan, eindelijk, mag je weg.
Niet omdat het opgelost is,
maar omdat het simpelweg niet langer vol te houden is.

We liepen door.
Allebei een andere kant op, alsof dat altijd al het plan was geweest.

Na tien meter keek ik achterom.
Niet omdat ik dat wilde.

Hij keek ook.

We zagen het.

En deden allebei alsof we dat niet deden.

 

©24042026BjornKnoops