Bij benadering
De wekker ontplofte in een taart met kaarsjes die achteruit brandden.
Dat was vreemd, maar niet vreemd genoeg om de dag te weigeren. In deze tijd moet je selectief zijn met je verbazing. Er gebeurt tenslotte elke ochtend wel iets. De ene dag word je wakker met spierpijn op plekken waarvan je niet wist dat ze bij je hoorden, de andere dag blijkt je gezicht in de spiegel langzaam vervangen te zijn door iemand die ongeveer op jou lijkt, maar meer rekeningen heeft betaald.
In de spiegel stond een ander mij te scheren, terwijl ik koffie dronk die naar vis smaakte. Hij keek geconcentreerd, alsof hij al jaren wist wat hij met mijn kin aan moest. Ik liet hem begaan. Soms is het prettig wanneer iemand anders even verantwoordelijk is voor je gezicht.
Op tafel lag een appel. Hij belde me op en vroeg of ik nog van hem hield.
Ik zei dat het ingewikkeld lag.
Dat was niet eerlijk van mij. Liefde is zelden ingewikkeld voor appels. Je eet ze of je laat ze liggen tot ze zacht worden aan één kant. Mensen doen er moeilijker over. Wij bewaren dingen te lang. Appels, herinneringen, plastic bakjes, versies van onszelf die allang niet meer houdbaar zijn.
Daarna heb ik gewoon ontbeten. Er lag tenslotte nog brood.
Buiten marcheerde een tram voorbij, vol mensen zonder benen die toch dansten. Niemand keek ervan op. Een man met een aktetas stapte haastig in, alsof hij bang was te laat te komen bij zijn eigen ondergang. Een kind zwaaide. Een vrouw zonder mond floot een liedje dat ik herkende van vroeger.
Iemand riep mijn naam.
Alleen was het niet mijn naam, maar die van de kat.
Ik draaide me toch om.
Misschien is dat het begin van ouder worden: dat je op steeds meer namen reageert. Op je eigen naam, op de naam van iemand die je ooit was, op de naam van iemand die iets van je verwacht. Op den duur draai je je zelfs om wanneer niemand roept.
En ergens, tussen de koffie en de spiegel, tussen de appel en de tram, gaat de dag gewoon verder. Alsof het volkomen normaal is om wakker te worden in een wereld die elke ochtend iets minder op zichzelf lijkt.
Om half negen was ik te laat voor iets waar niemand mij verwachtte.
Daarna viel ik van de trap, samen met een halve maandag en een gedachte die niet van mij bleek.
Beneden bleef ik even liggen.
Mensen liepen haastig langs mij heen, ieder met iets bij zich dat ontbrak.
Boven riep iemand mijn naam.
Ik draaide me om.
Je moet niet al te kieskeurig worden in wat je aanspreekt.
Ik kwam thuis.
In de keuken zat de appel nog steeds aan de telefoon.
‘Ik vroeg het niet zomaar,’ zei hij.
Ik wilde antwoorden, maar op dat moment kwam de spiegel binnen. Hij had zich gesneden.
Ik hing op en belde mezelf.
De kat nam op.
Hij zei dat ik niet thuis was.
©22062026BjornKnoops